De grootste fouten bij vloerisolatie

Waar loopt het typisch mis bij vloerisolatie? En wat zijn de meest voorkomende misverstanden? David Verhoeven van Isolatie Verhoeven lijst de tien grootste boosdoeners op. En hoe je die vermijdt!

Fout 1: Ik heb een (kruip)kelder, dus ik moet niet of minder isoleren

Of je nu een (kruip)kelder hebt of niet: isoleren is een must!

Foto: Isolatie Verhoeven

Vloerverwarming moet altijd in combinatie met isolatie. Anders gaat de warmte via je vloer naar beneden verloren.

Foto: Van Marcke

Leidingen vereisen voldoende uitvulchape...

Foto: Amix-isolatiechapes bvba

...en dus meer vloeropbouwhoogte. Aan je architect om voldoende ruimte te voorzien.

Foto: Isolatie Verhoeven

De drukvastheid is een cruciale factor voor je vloerisolatie.

Foto: Recticel Insulation

Drie aandachtspunten bij de plaatsing: zorg - in tegenstelling tot op de foto - dat de ondergrond proper is voor je chapper aan de slag gaat.

Foto: Isolatie Verhoeven

Er randisolatie wordt voorzien.

Foto: Isolatie Verhoeven

En de waterkeringsslabben zijn omhooggeplooid.

Foto: Isolatie Verhoeven

Een kruipkelder is meestal verlucht om vochtproblemen te vermijden. Hierdoor zakt de luchttemperatuur in de winter geregeld onder 0° C. Bij een vloer op volle grond bedraagt de grondtemperatuur onder de woning gemiddeld 13° C. De noodzaak aan isolatie boven een verluchte (kruip)kelder is groter dan voor een vloer op volle grond.

Bovendien zijn er de minimale isolatie-eisen zodat je aan de energieprestatieregelgeving voldoet. Elke vloer moet geïsoleerd worden, zowel boven doorgangen, kruipruimtes, kelders en op volle grond. Conclusie: hoe meer luchtstroming er onder de vloer mogelijk is, hoe beter de isolatie moet zijn.

Je kan je vloer trouwens inpakken door het plafond van je kruipkelder te isoleren. Handig bij bestaande woningen, want dan moet je je vloer niet opbreken!

Fout 2: Ik heb geen vloerverwarming, dus ik moet niet of minder isoleren

Bij vloerverwarming is de noodzaak voor isolatie net iets groter, omdat de vloer zelf op hogere temperatuur staat. Ook bij verwarming via radiatoren is er een warmteverlies langs de vloer en is isolatie een noodzaak. Het is niet alleen wettelijk verplicht, maar de bouwheer investeert beter in energiezuinigheid door de hoge energiekosten van de laatste jaren. Deze investering is snel terugverdiend en verhoogt het comfort aanzienlijk.

Fout 3: Ik heb onvoldoende dikte en kan dus geen isolatie meer plaatsen

Deze situatie valt alleen te vermijden door vooraf een voldoende dikke vloeropbouw te voorzien. Dit is het werk van de architect, helaas komt het nog te vaak voor dat de voorziene dikte van het vloerpakket onvoldoende is om isolatie én een dekvloer te plaatsen.

Architecten en ontwerpers willen ‘slanke’ vloeren, aannemers maken al eens een foutje bij het gieten van de betonplaat. Een bijkomend probleem zijn de te hoog geplaatste leidingen of knooppunten van leidingen. Boven elke leiding of knooppunt moet een dekking van 5cm dekvloer komen + 1 à 2cm afwerking. Wij constateren dagelijks leidingenpakketten van 8 à 10cm op de werven, zeker nu de ventilatiekanalen ook in de vloer worden ingewerkt.

Speel op veilig en voorzie méér dan 17cm vloeropbouw bij klassieke verwarming en 20 à 25cm bij vloerverwarming. Controleer ook tijdig deze niveau’s (bij plaatsing van de dorpels, bij plaatsing van alle leidingen). Als er een (kruip)kelder is, kan er nog steeds tegen dit kelderplafond isolatie worden aangebracht, maar dit kost een stuk meer.

Meer weten over hoe een vloeropbouw er bij vloerverwarming uitziet? Je leest er alles over in het artikel Vloerverwarming: laag per laag onder de loep.

Fout 4: Geen tussentijdse controle van de dikte

Een belangrijk misverstand bij architecten en EPB-verslaggevers is de vereiste isolatiewaarde van vloeren in de regelgeving en hoe deze wordt berekend. Hierdoor denkt men ten onrechte dat er nog maar één materiaal voldoet.

De meeste isolatiefirma’s staan de EPB-verslaggever dan ook bij in hun berekeningen.

Fout 5: Thermische en akoestische isolatie combineren in één materiaal

In de handel vind je veel materialen onder de noemer ‘thermische en akoestische vloerisolatie’. Helaas valt dit niet te combineren in één materiaal: thermische isolatie is van nature licht (stilstaande lucht) en akoestische isolatie werkt volgens het massa-veer-massaprincipe.

Het is beter een zwevende vloeropbouw te maken door de combinatie van twee materialen. Zonder voorafgaand alle leidingen (van de technieken) uit te vullen, is een akoestische vloerisolatie onrealistisch geworden. Daarom werk je beter met een thermisch isolerende uitvullaag als drukvaste thermische isolatie met een egaal oppervlak, waarboven je kan werken met een akoestische vloerisolatie (contactgeluidsisolatie) en afwerkchape. Voorzie in het ontwerp hiervoor liefst 13cm vloeropbouw of méér voor tussenverdiepingen.

Fout 6: Ik heb geen thermische vloerisolatie nodig voor de verdiepingsvloer van mijn appartementsgebouw

Ook bij woningscheidende tussenverdiepingsvloeren (en wanden), bijvoorbeeld voor appartementen, geldt een minimum isolatiepeil.

Isoleer hier best met een drukvaste naadloze oplossing die alle leidingen uitvult. Alleen op een effen uitvullaag kan je risicoloos een akoestische isolatie laten plaatsen, zonder vrees voor perforaties en geluidslekken.

Fout 7: Materialen van te lage densiteit/drukvastheid

Het is noodzakelijk om een goede drukvastheid te verkrijgen in vloerisolaties, anders gaat de vloer misschien barsten na verloop van tijd. Een te zachte laag in de vloer kan dit tot gevolg hebben. Het is niet de eerste keer dat er chappes barsten of verzakken bij loskorrelig thermo-akoestisch materiaal of gespoten schuimen met lage densiteiten.

Een isolerende mortel speelt hier op veilig, gezien de erg hoge drukvastheid. Zelfs zonder wapening in de chape is hiermee nog geen enkele vloer gebarsten. Opgelet : op een (zachte) akoestische vloerisolatie is meestal een gewapende chape van 6cm nodig.

Fout 8: Plaatsingsfouten en problemen bij akoestisch isoleren van vloeren

Een propere en egale uitgevulde ondergrond is zeer belangrijk voor een degelijke akoestische vloerisolatie (contactgeluidsisolatie). Zoniet is het risico op contactpunten (geluidslekken), door de groter wordende leidingpakketten, erg reëel.

Doorvoeren en opgaande muren moeten worden ingekleed of voorzien zijn van een goed geplaatste randisolatie om diezelfde reden. Zoniet komt de ‘vlottende vloer’ in vast contact met de muren, waarlangs alweer een belangrijk geluidslek onstaat.

De vloerplinten moeten los van de vloer staan (voeg laten) en elastisch worden opgespoten tussen vloer en plint. Slechts enkele geluidslekken zorgen voor een halvering of het tenietdoen van de akoestische prestaties.

Fout 9: Plaatsingsfouten en problemen bij thermisch isoleren van vloeren

Vele vloerisolaties vragen een zuivere ondergrond die stof- en vochtvrij is. Op een werf is dit een moeilijk haalbare eis. De gevolgen laten zich pas nadien voelen als de hechting op de draagvloer onvolkomen is. Sommige producten vullen de vloer niet uit zoals ze beloven.

Een aantal systemen kan je niet plaatsen bij temperaturen onder de 10 °C. Een mogelijk gevolg is een belangrijke wijziging van de materiaaleigenschappen (minder isolatiewaarde, lagere drukvastheid, niet-homogene samenstelling, bevriezing, …) Let ook op of je je muren niet moet beschermen tegen bevuiling.

Vaak ontbreekt een degelijke isolatie onder het raamprofiel en wordt de waterkering (slabben) niet omhooggezet aan de binnenzijde van het raam.
Het systeem dat de minste eisen stelt qua uitvoering, zoals een isolerende mortel, is veruit het veiligste om te (laten) plaatsen.

Fout 10: Ontbreken van de meterpas

Op vele werven ontbreekt een duidelijke, onuitwisbare meterpas. Dit referentieniveau ligt op één meter hoogte boven de afgewerkte vloer en moet in opdracht van de architect worden aangebracht door de hoofdaannemer ruwbouw of een hiertoe gemachtigd persoon.

Alle aannemers gebruiken dezelfde meterpas tot na de afwerking en dat is van groot belang. Dagelijks komen wij op werven zonder vloerpas of met tientallen streepjes getrokken door verschillende onderaannemers. De vraag is dan welk streepje de juiste pas aangeeft.

Welke technieken wanneer? En wanneer de chape?

Een goede planning is het halve werk. Maar in welke volgorde leg je je leidingen best? En wanneer precies schakel je je chapper in? Je komt het te weten in het artikel: Planning technieken: zo doe je 't!