livios logo

Zelf licht in je tuin brengen? Dit zijn de aandachtspunten

Nu de dagen korten, maak je het extra gezellig in je tuin met verlichting. Niets houdt je tegen om zelf verlichting te installeren. Om technisch in orde te zijn, moet je wel rekening houden met een aantal specifieke regels voor een correct en vooral veilig resultaat. We zetten de belangrijkste aandachtspunten even op een rij.

Het elektriciteitsnet aanpassen of uitbreiden in huis of tuin lijkt in de meeste gevallen een klus die je zelf kan klaren. Maar let op: bijkomende stopcontacten of lampen installeren, vertrekkend van een bestaand stopcontact, mag zomaar niet! Bij buitenverlichting komt bovendien heel wat extra kijken. In contact met vocht is elektriciteit gevaarlijk, want er bestaat een grotere kans op kortsluiting, brand, maar ook elektrocutie.

1. Maak een plan

De belangrijkste stap is weten wat je wil. Start met een lichtplan: een plattegrond van je tuin waarop je aanduidt waar je welk type lamp of lichteffect wil hebben en/of een ander elektrisch toestel wil gebruiken, nu of later. Noteer het nodige vermogen van die aparte toestellen ineens mee. Zeker als er grote slokoppen tussen zitten, zoals terrasverwarmer(s). Bepaal ineens welke verlichting en/of stopcontacten je samen of net apart wil kunnen in- of uitschakelen. Werk daarvoor met kleurcodes. Zo krijg je een goed overzicht en ontdek je makkelijk de circuits die samen op één kabel kunnen.

Bestaat een circuit enkel uit lichtpunten? Dan ben je onbeperkt in het aantal. Zit er ook een stopcontact tussen, dan mogen er niet meer dan acht stopcontacten en lichtpunten in eenzelfde circuit aanwezig zijn. Dan is het lijntjes trekken. Die stellen de elektriciteitskabels voor die de situatie op plan effectief in de praktijk gaan omzetten. Je hoeft trouwens niet voor elke lamp een afzonderlijke kabel te trekken vanuit de zekeringskast. Zelfs aparte circuits kunnen vaak aangestuurd worden met eenzelfde hoofdkabel, op voorwaarde dat je een aftakking voorziet. Laat de stroomkabels dus niet de positie van de verlichtingsarmaturen bepalen, maar omgekeerd.

tuinverlichting licht

Foto Delta Light® nv
  

tuinverlichting licht

Foto Delta Light® nv
  

2. Kabels voorzien

Het gezamenlijk vermogen van de lampen en/of toestellen per circuit, maar ook de afstand van de zekeringskast tot aan die eindverbruikers bepalen welke kabel of, beter gezegd, welke kabeldiameter je nodig zal hebben. In de meeste gevallen is dat een kabel met 2,5 mm2 doorsnede. Zit er enkel verlichting op de kring? Dan volstaat een kabel van 1,5 mm2. Spreek je installateur aan of de specialist van de winkel.

Meestal heb je een (zwarte) EXVB- of een (grijze) XVB-kabel nodig. Deze relatief soepele kabels vragen wel een minimum aan bescherming. Voor een ingegraven kabel betekent dit dat je hem minstens 60 cm diep moet ingraven en in een beschermingsbuis moet inpakken. Daarvoor wordt over het algemeen een flexibele rode, geribbelde buis gebruikt.

Bereken de nodige hoeveelheid beschermbuis en kabel ruim voldoende. Voor korte afstanden reken je best zo’n 10% extra, voor lengtes vanaf 10 m zo’n 5%. Bovendien moet de kabel ter hoogte van elke aansluiting min of meer verticaal uit de grond komen, en dan weer omlaaggaan op weg naar het volgende aansluitpunt. Om goed te kunnen werken moet de lus minstens 40 cm boven de grond uitsteken. Per aansluitpunt betekent dat dus 60 cm omhoog, 40 cm uit de grond, 40 cm omlaag en dan nog eens 60 cm de grond in, of een totaal van 2 m per aansluitpunt.


© Marc Verachtert  


© Marc Verachtert  

3. Veilig koppelen

Elke kabel telt drie tot meestal vijf aparte stroomaders. Standaard zijn dat:

  • de aardingskabel: geel-groen gestreept;
  • een kabel die de stroom brengt (de fasegeleider): rood, bruin, zwart of grijs van kleur;
  • een kabel die de stroom afvoert (de nulgeleider): blauw van kleur.

Moet je twee of meerdere kabels ondergronds aan elkaar koppelen, dan moet dat perfect waterdicht gebeuren. Water kan namelijk overal doorheen dringen. Dat kan leiden tot kortsluiting en/of stroomuitval. Kies in dat geval voor een lasdoos of een gietmof. Je koppelt er de draden aan elkaar, waarna je het geheel opvult met hars die snel uithardt. Water krijgt hier geen kans.

Bevindt de installatie zich volledig bovengronds? Dan ligt het allemaal wat makkelijker. Toch bescherm je de leidingen ook hier met een buitenbuis. Meestal is dat een harde kunststof buis. Om kabels aan elkaar te koppelen, gebruik je een gewone lasdoos, waarbij je de buizen of kabels fixeert met de bijgeleverde wartels. Zo zet je ze niet alleen goed vast, je houdt de lasdoos ook vrij van condens, vuil en insecten.

IP-dicht

Lasdozen, stopcontacten, schakelaars, verlichting… dragen een IP-code. Die geeft aan wat je waar mag gebruiken. De code bestaat uit twee cijfers. Het eerste geeft aan in welke mate het onderdeel beschermd is tegen stof en vaste voorwerpen, het tweede duidt op de waterdichtheid. Een toestel met IP-code 23 is bijvoorbeeld regenwaterdicht, IP44 spatwaterdicht, IP55 spuitwaterdicht en IP67 heus waterdicht. Toestellen met IP23 en IP44 kan je buiten gebruiken onder een afdak. IP44 mag zelfs gewoon in de open lucht geplaatst worden, net als IP55 en IP67. Wil je grondspots integreren in je tuinpad? Dan moet dat IP67 zijn.

 

gevel gevelplaat gevelmateriaal zwembad tuinverlichting SVKSVK-LobbesColormatScriptos402slates403storms401JasmineJeroenGijselinckxPhotography041

Foto SVK
© Jeroen Gijselinckx Photography  

4. Het nut van stopcontacten

Heel wat lichtarmaturen worden verkocht met aangegoten stroomdraad, inclusief stekker. Laat die zeker intact. Doe je dat niet, dan verlies je vaak de garantie op het toestel. Bovendien kan je ze zo heel eenvoudig inpluggen in een stopcontact. Stopcontacten voor verlichtingselementen voorzien, lijkt weggegooid geld, maar is dat absoluut niet. Als je kampt met stroomverlies of als er een kortsluiting is, kan je de verlichtingselementen een voor een uittrekken en zo de fout ontdekken. In het andere geval zal je overal de kabels moeten loskoppelen en meten.

Bovendien kan je de stopcontacten ook voor andere doelen gebruiken: de heggenschaar, kerstverlichting, een bijkomende spot… tot en met een verlengkabel waarmee je via een tijdelijk tuinstopcontact op pin of prikker, de stroom weer wat verder in de tuin brengt en nieuwe mogelijkheden creëert voor aansluitingen.

5. Makkelijke bediening

Rest er natuurlijk nog het aan- en uitschakelen van de diverse circuits en/of lampen en toestellen, liefst van al met de minst mogelijke inspanning. Plaats de schakelaars dicht bij je comfortabele zetel of stoel, of op een plek waar je vaak voorbijkomt. Vraag de installateur eventueel naar de mogelijkheden voor draadloze bediening of bediening via bewegingssensoren, of voor schemerschakelaars gekoppeld aan een tijdsklok. Je kan de verschillende circuits in principe ook volledig via een tijdschema laten aansturen. Elk van deze systemen kan je trouwens aanvullen met een eenvoudige aan/uitschakelaar.

Ben je deze handige snufjes vergeten in te bouwen in de installatie? Geen probleem. Zowel in gespecialiseerde zaken als in doe-het-zelfwinkels vind je aparte plug-in tijdsklokken, schemerschakelaars en sensoren die je om het even waar in een stopcontact kan inpluggen. Let ook hier wel op de IP-code.


© Signify  

buitenverlichting


© Signify  


© Signify  

6. De juiste verlichting

Voor de verlichtingselementen kies je best voor ledverlichting. Dat staat garant voor mooi licht én is energiezuinig. Bij de keuze van armaturen en lampen kunnen lichtintensiteit en kleurtemperatuur de doorslag geven. De lichtintensiteit wordt uitgedrukt in lumen (lm). Er bestaan armaturen van 100 lm voor kleine accenten tot projectoren van 5.000 lm om grote bomen uit te lichten. De kleurtemperatuur wordt dan weer uitgedrukt in kelvin (K). Met een kleurtemperatuur van 2.700 K zet je de tuin in een warm wit licht. Wil je de lichtstraal ver laten reiken, of bomen en planten in de spotlight zetten dan kies je beter voor 3.000 K. Je kan nog verder gaan, tot 6.500 K, wat overeenkomt met een helwit licht, maar dat is meestal te koud van sfeer voor de tuin.

7. Aansluiting en keuring

Tot slot komt het erop aan je nieuwe installatie aan te sluiten op de zekeringskast door een eigen zekering te voorzien voor het buitencircuit en een differentieelbeveiliger (of verliesstroomschakelaar) van 30 mA. Dat is technische materie waar je best niet zelf aan begint.

Vergeet ook niet om na aanpassingen van de stroominstallatie een nieuwe keuring aan te vragen. Hierbij komt een keurder ter plekke en gaat na of je installatie conform het Algemeen Reglement op de Elektrische Installatie (AREI) is en dus volgens de regels van de kunst is uitgevoerd. Bewaar hun verslag bij je verzekeringspapieren. Het blijft 25 jaar geldig, tenzij je natuurlijk opnieuw andere (belangrijke) wijzigingen aan je elektriciteitsinstallatie uitvoert.

Bron: Ik ga Bouwen

In samenwerking met

Bekijk alle partners

Deze website is beveiligd door reCAPTCHA en het Google privacybeleid en gebruiksvoorwaarden zijn van toepassing.

track

http://www.livios.be/nl/bouwinformatie/technieken/elektriciteit/lichtplan/63887/zelf-licht-in-je-tuin-brengen-dit-zijn-de-aandachtspunten/