We vroegen het voor je na bij advocaat Mark Huygen:
"De inbezitname is een feitenappreciatie die in concreto wordt beoordeeld. Dit behoort aldus tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. In de rechtspraak zijn er twee strekkingen over deze problematiek ;
De strikte interpretatie
Deze interpretatie stelt dat artikel 661 Burgerlijk Wetboek enkel in hoofde van de nieuwkomer een recht schept. De nieuwkomer moet bijgevolg steeds zijn wil tot gemeenmaking uiten. Deze wilsuiting kan stilzwijgend gebeuren, en bijvoorbeeld worden afgeleid uit een gedragswijze dat voor geen redelijke andere uitleg vatbaar is.
Er wordt vereist dat er sprake is van bezitsaanmatiging, of een feitelijke daad die geldt als inbezitneming waartegen de eigenaar zich kan verzetten. Het louter voordeel halen uit het bestaan van een muur vormt geen bezitsaanmatiging, aldus Cassatie. Voor bezitsaanmatiging is een ‘materieel contact’ vereist (Cass. 2 juni 1977, RW 1977-78, 1611; Cass. 2 september 1994, Arr. Cass. 1994-95, 948; Cass. 28 juni 2001; Cass. 4 december 2003, T. Vred. 2004, 386). Het loutere feit dat er gebruik wordt gemaakt van een muur, houdt bijgevolg geen bezitsaanmatiging in. Er moet aldus sprake zijn van een materieel contact.
Volgens deze strikte interpretatie is het louter ‘voordeel halen’ uit het bestaan van een muur niet voldoende. Het kan zo beoordeeld dat bepaalde beperkende contacten, zoals steun, als onvoldoende ‘materieel contact’ beschouwd worden, bijvoorbeeld indien er geen verankering is in de muur. Nogmaals dit is een feitenappreciatie.
Een eerder beperkt of simpel gebruik wordt volgens deze strekking niet beschouwd als een daad van bezitsaanmatiging. Bijvoorbeeld het aanbrengen van nagels voor een wasdraad, het schilderen van de bestaande muur, het gebruik van de muur om struiken te leiden, enz…
De ruime interpretatie
Deze interpretatie gaat uit van een bezitsaanmatiging wanneer er een feitelijke inbezitneming is waaruit ondubbelzinnig de wil blijkt om de mandeligheid van de litigieuze muur af te kopen.
Ook hier is de appreciatie van de feitenrechter doorslaggevend. Bijvoorbeeld de wil om de muur gemeen te maken werd afgeleid uit het feit dat de buur een nieuwe scheidingsmuur had gebouwd, zonder dat evenwel de draagkrachten van de nieuwe muur op de bestaande muur werden overgedragen, maar waarbij een constructie kon worden opgericht, die niet mogelijk was geweest indien de bestaande muur er niet was geweest (Rb. Gent 14 juni 2004, TGR 2004, afl. 4, 281).
Het ‘materieel contact’ is volgens deze ruime strekking niet doorslaggevend. Wel de wil tonen om de muur gemeenschappelijk te maken.
Er kan aldus geen pasklaar een sluitend antwoord op de vraag worden geformuleerd. Het blijft een appreciatie die in concreto zal beoordeeld worden door de bevoegde rechter."