We lieten advocaat Jo Dewez van advocatenkantoor Dehaese&Dehaese los op jouw vraag:
"De vraagstelling bevat diverse aspecten. Omdat wij niet beschikken over alle concrete elementen bevat het antwoord algemene informatie en verschillende hypothesen, waardoor het misschien als erg uitgebreid wordt ervaren.
1. Enkele beschouwingen inzake rooilijnen
Een rooilijn wordt door het Rooilijndecreet (Decreet van 8 mei 2009) gedefinieerd als de huidige of de toekomstige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen. Rooilijnen worden vastgesteld in rooilijnplannen, volgens de wettelijk bepaalde procedure. Door rooilijnen vast te stellen kan de overheid de openbare weg op een bepaalde breedte brengen of handhaven zodat er in de toekomst bijvoorbeeld infrastructuurwerken, zoals de aanleg van een riolering, uitgevoerd kunnen worden. Na het opmaken van een rooilijnplan is de volgende stap de realisatie ervan. Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk via een onteigening in het algemeen belang (de zogenaamde actieve realisatie) ofwel via een bouwverbod (de passieve realisatie). Het Rooilijndecreet voorziet in de vereiste wettelijke basis om tot onteigening te kunnen overgaan met als doel het realiseren van een rooilijnplan en verder wordt ook de procedure nader omschreven, zoals bijvoorbeeld het opstellen van een onteigeningsplan. Wanneer de overheid (nog) niet tot onteigening overgaat, kan het rooilijnplan gerealiseerd worden via het bouwverbod. Dit laatste lijkt ons in huidig geval niet meteen relevant. Wanneer er een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend, zal het vergunningverlenende bestuur het rooilijnplan moeten respecteren.
2. De vastgestelde rooilijn ligt voorbij de gracht
Gezien de beperkte informatie worden kort enkele hypotheses besproken. De eerste hypothese is deze waarbij de rooilijn geen invloed heeft op de gracht omdat de rooilijn voorbij de gracht ligt. Bijgevolg heeft de rooilijn dan geen invloed op het eigendomsrecht en kan de eigenaar in principe zelf beslissen over het lot van de gracht, behoudens het hiernavermelde onder punt 3.
3. De vastgestelde rooilijn ligt voor de gracht
In deze hypothese wordt de gracht wel getroffen door de vastgestelde rooilijn zodat er rekening gehouden moet worden met wat er hoger werd besproken. Zo moet men rekening houden met een mogelijke onteigening maar men mag ook het bouwverbod niet uit het oog verliezen.
4. De vastgestelde rooilijn kruist de gracht
In deze derde hypothese kan de gracht opgesplitst worden in een stuk dat niet aangetast wordt door de rooilijn zodat hiervoor hypothese 1.1 kan gelden en een stuk dat wel aangetast wordt door de rooilijn zodat hiervoor hypothese 1.2 kan gelden. Men zou zo de gracht kunnen terugbrengen tot het gedeelte dat niet aangetast wordt door de rooilijn.
5. Enkele beschouwingen inzake de bouwaanvraag
In het tweede deel van de vraagstelling wordt vermeld dat er een bouwaanvraag werd ingediend door een maatschappij voor de aanleg van een riool- en hemelwaterleiding waarin geëist wordt dat de gracht behouden blijft. We gaan er van uit dat het gaat om een nutsmaatschappij. De maatschappij die de aanvraag indient, zou wel aanspraak kunnen maken op het behoud van de gracht wanneer er een erfdienstbaarheid op rust. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om een natuurlijke erfdienstbaarheid gebaseerd op het recht van afvloeiing of een conventionele erfdienstbaarheid die op basis van een overeenkomst of op basis van verjaring tot stand is gekomen. De eigenaar van het lijdend erf is dan verplicht de erfdienstbaarheid te gedogen en het is verboden het gebruik van de erfdienstbaarheid te verminderen of te bemoeilijken.
Indien de periode van openbaar onderzoek van de bouwaanvraag nog loopt, kan iedereen tijdens die periode van dertig dagen zijn bezwaren of opmerkingen in verband met het ontwerp schriftelijk ter kennis van het college van burgemeester en schepenen brengen. Het schepencollege zal zich dan uitspreken over de bezwaren. Indien de vergunningsbeslissing reeds genomen werd, beschikt men over een termijn van 30 dagen na de dag van aanplakking van de beslissing om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing.
6. Het vullen van de gracht
Wanneer men in één van de hoger besproken hypotheses het recht zou hebben om over het lot van de gracht te beschikken, moet men zich echter nog de vraag stellen of dit een handeling is waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening somt deze handelingen op, waaronder: het reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt. Op basis van de concrete omstandigheden zal dus moeten worden nagegaan of er een aanmerkelijke wijziging van de bodem plaatsvindt. In de rechtspraak werd in het verleden het dempen van een gracht echter al als een aanmerkelijke reliëfwijziging gekwalificeerd. Daarom is het mogelijk dat, afhankelijk feitelijke omstandigheden van voorliggend geval, een vergunning aangevraagd moet worden om de gracht te vullen. Reliëfwijzigingen kunnen echter vrijgesteld worden van de vergunningsplicht als de vergunningsplicht wegens de aard en omvang van de wijzigingen als te streng en derhalve niet wenselijk wordt geacht.
Daarnaast dient enige voorzichtigheid ingebouwd vermits een abnormale burenhinder kan ontstaan. Het is uit de vraagstelling niet geheel duidelijk of de gracht één of andere functie vervult. Door het vullen van de gracht zou het evenwicht tussen de eigendom en de aanpalende openbare weg, kunnen verbroken worden met hinder tot gevolg. Bv. waar de gracht voorheen water opving, kan dit na het vullen van de gracht niet meer waardoor het water mogelijks wegvloeit richting of op de openbare weg. Dit kan de buur (bv. de overheid of nutsmaatschappij) bepaalde rechten geven (herstel van het evenwicht).