Een speciale situatie, dat erkent ook notaris Dirk Michiels:
"De “uitweg” waar u over spreekt is een “recht van overgang”. Het is een erfdienstbaarheid, te weten een last op een erf, lijdend erf genoemd, ten gunste van een ander erf, heersend erf genoemd. Het is mogelijk dat het lijdend erf tegelijkertijd heersend erf is, als met name de weg zowel door u mag gebruikt worden als door u moet geduld worden (doordat de weg doorgaans “te paard”, te weten per half spoor, ligt op verschillende loten die er allemaal van mogen genieten maar er ook allemaal de last van moeten ondergaan doordat anderen er gebruik van maken).
Een recht van overgang moet steeds gevestigd worden door een authentieke akte (een notariële akte of een vonnis). Om de juiste ligging en draagwijdte van het recht van overgang te kunnen bepalen moet men kijken naar de vestigingsakte, en daarover blijkt nu juist discussie te bestaan.
Als de akte uit 1956 de vestigingsakte is zal deze doorslaggevend zijn. Betreft het een notariële akte die werd overgeschreven op het hypotheekkantoor dan is die tegenstelbaar aan derden, waaronder uzelf (ook al had u er geen effectieve kennis van bij uw aankoop).
De vraag is dan wat de draagwijdte is van de akte uit 1976. Heeft de landmeter zich bij het opstellen van het plan van 1976 vergist, of werd hier een andere ligging overeenkomen ? Dit en andere feitelijke elementen zullen dit bepalen en kan ik dus, op basis van uw vraag, niet bepalen.
Daarnaast is er artikel 702 van het Burgerlijk Wetboek : iemand die gebruik maakt van een recht van overgang mag dat slechts doen overeenkomstig de bepalingen van de akte waarbij deze gevestigd werd, zonder aan het lijdend erf een verandering te mogen aanbrengen waardoor de toestand van dit erf zou verzwaard worden. U moet dus gaan kijken in de akte(n) op welke percelen deze erfdienstbaarheid gevestigd werd en wie er gebruik mag van maken.
Verder is er het verbod op rechtsmisbruik. Als uw buur door een extra doorgang te eisen in uw nadeel, die dan misschien conform is met het plan uit 1956 waarnaar hij verwijst, u onevenredig veel nadeel berokkent in vergelijking met het voordeel dat hij hierdoor krijgt kan u aanhalen dat hij hierdoor rechtsmisbruik pleegt en kan de Vrederechter het gebruik dat hij maakt van de erfdienstbaarheid tot zijn normale proporties herleiden (het plan van 1976).
Betwistingen inzake erfdienstbaarheden dienen, bij gebrek aan minnelijke regeling, door de Vrederechter te worden beslecht. Partijen kunnen elkaar laten oproepen in verzoening of dagvaarden. De Vrederechter zal mogelijks een deskundige, doorgaans een landmeter, aanduiden om hem te adviseren en daarna te trancheren. Vandaar moet u het voorstel van de collega om in der minne een landmeter aan te duiden zien, om een procedure te vermijden."