Vraag
Onze buur betwist dat de (tuin)muur die al bijna 100 jaar lang beide percelen scheidt een 'gemene muur' zou zijn. Het betreft eigendommen in een stadscentrum, de betreffende woningen werden respectievelijk gebouwd rond WOI en tijdens het interbellum. De huidige eigenaars hebben de woningen dus pas verworven, lang nadat de scheidingsmuur werd opgetrokken. De muur ligt integraal in het verlengde van de muur die beide tegen elkaar gebouwde woningen lijkt te delen. Tegen de scheidingsmuur werd bij de bouw van onze woning een overkapte buitentrap naar de kelders aangebouwd. I de jaren 1950-1960 werd er op het einde van het perceel ook een garage tegen de scheiding aangebouwd, tussen garage en woning ligt een stadstuin en is de muur vrij.
Aan de zijde van de buren werd de scheidingsmuur nooit in gebruik genomen. Oorspronkelijk, en voor zover dat vandaag nog te achterhalen valt uit getuigenissen, foto's enz., was de scheidingsmuur afgewerkt met horizontaal geplaatste dakpannen die hetzij naar beide zijden afwaterden, hetzij naar onze kant. In 1977 begon de buur, zonder voorgaand overleg, met verbeteringswerken aan de muur waarbij er dekstenen geplaatst werden die de 'drop' verlegd hebben naar hun kant. Om latere discussies te vermijden werd er een 'getuigenverklaring' opgesteld en betekend bij het kadaster, waarin beide partijen stellen dat het om een gemeenschappelijke muur gaat en dat er geen eigendomsrechten voort kunnen vloeien uit de nieuwe afwerking waarbij de afwatering aan één kant valt. Vandaag wordt dit alles betwist door de echtgenote van de buur die deze getuigenverklaring ondertekende. Een verzoeningspoging voor de vrederechter bracht geen soelaas en zij wenst tot dagvaarding over te gaan om haar recht te halen waardoor de eigendom van het gedeelte muur waartegen niets aan werd gebouwd haar zou toekomen. Hoe waarschijnlijk is het dat een vrederechter haar hierin zal volgen? Kunnen wij haar desgevallend verplichten de helft van het niet in gebruik genomen deel van de muur ook gemeen te maken?
