Vraag
Mijn huis is het laatste huis van een aantal rijhuizen. Het betreft een halfopen bebouwing. Via de oprit kom ik aan de achterkant van mijn huis op mijn overdekt terras. Op het overdekt terras bevindt zich op ongeveer 1,5 m van mijn open schuifraam (en tevens uitgang naar het terras) een houten poortje (1 m breed) geïmplementeerd in de scheidingwand met de naastliggende buren.
Als de buren het poortje openen, komen ze rechtstreeks in mijn privé; links bevindt zich het open schuifraam met inkijk op de keuken en leefruimte en rechts mijn tuin. De eigenaars waarvan ik het huis heb gekocht, verzekerden mij dat de buren van huisnummers 244 en 242 het poortje enkel bij wijze van ‘louter gedogen’ en mits mijn uitdrukkelijke toestemming kunnen gebruiken.
Het gezin dat naast mij is komen wonen, respecteert dit niet, zegt dat het een servitudeweg is (geen beperkingen mogelijk) en gebruiken het als hun eigen achteruitgang. Voorbeelden: gewoon als doorgang vanuit de tuin naar de straat , GFT/huisvuilzakken doorbrengen, alsook meerdere keren per dag met hun fietsen (2 volwassenen, 1 kind) en kinderaanhangwagen van en naar het werk/de school/activiteiten …
Gevolg: ongestoord genot van terras/tuin is niet meer mogelijk en de ganse situatie legt een zware hypotheek op mijn innerlijke rust. Er wordt voorafgaand géén toestemming meer gevraagd, hoogstens een belsignaal. Ik ervaar het huidige gebruik als een inbreuk op mijn privacy (artikel 10 van de grondwet) alsook op mijn recht om ongestoord van je eigendom te kunnen genieten (artikel 544 van het burgerlijk wetboek).
A.d.h.v. de notariële aktes die ze mij in dit kader hebben voorgelegd, kan niet onmiddellijk afgeleid worden welke erfdienstbaarheid het precies betreft (recht van uitweg of recht van doorgang of een gedogen van een recht van uitweg?). Het enige referentiekader dat ik in dit opzicht had, was wat in mijn notariële akte stond.
Betreft het een recht van uitweg dan zou dergelijk gebruik van de uitweg kunnen aangekaart worden als een ‘oneigenlijk gebruik’ of ‘misbruik’ (erf is niet langer ingesloten en uitweg niet langer noodzakelijk (is een gewoon rijhuis met voordeur aan straat). Betreft het een recht van doorgang dan is hetzelfde gebruik gelegitimeerd (geen insluiting vereist, onbeperkt gebruik). In dit laatste geval stel ik mij toch de vraag: ‘wat met het recht op privacy en ongestoord genot’? Wat primeert in dergelijke situaties?
Het gaat hier ook niet over een doorgang aan de zijkant van het perceel of achteraan het perceel dat rechtstreeks uitkomt op straat... Waar de uitweg/doorgang ook ligt, deze loopt dwars door mijn privé met een onmiddellijke en rechtstreekse impact op mijn privacy en ongestoord genot van eigendom. Er is geen minder schadelijke doorgang, dit is al de ‘minst schadelijke’, anders verlies ik ook nog bijkomend het beetje privé in mijn tuin.
Mijn vraag is dan ook: ‘wat als twee rechten met elkaar botsen’? Welk recht primeert hier? Het ‘zakelijk’ recht (recht van doorgang) of een ‘fundamenteel mensenrecht’? M.a.w. kan ik de bepalingen die in mijn notariële akte staan laten gelden en in dit geval het recht van doorgang beperken?






