Dit is geen eenvoudige vraag omdat de regelgeving complex is en de wetgever de jongste decennia ingegrepen heeft in de wetgeving. Er werd makkelijheidshalve geopperd dat stedenbouwmisdrijven niet verjaren.
Zie dienaangaande het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, en meer specifiek de nieuwe handhavingsmogelijkheden van de burgemeester en de stedenbouwkundige inspecteur. Daarna werd voorzien in het depenaliseren van het instandhoudingsmisdrijf in ruimtelijk kwetsbaar gebied.
In het verleden, voor het decreet van 4 juni 2003 (B.S. 22 augustus 2003)en dat slechts met de inwerking trad vanaf 1.9.2019 door Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werd doorgaans aangenomen dat bouwmisdrijven niet konden verjaren.
Immers, er is of was sprake van twee soorten misdrijven in deze: het “oprichtingsmisdrijf” dat is een ogenblikkelijk of aflopend misdrijf is en anderzijds “instandhoudingsmisdrijf”, of het zogenaamde voortdurend misdrijf.
Bij het oprichtingsmisdrijf zal de verjaring van de strafvordering meteen aanvatten. Bij een voortdurend misdrijf zal de verjaring echter pas aanvang nemen van de dag waarop de onwettige toestand ophoudt te bestaan. Dit is doorgaans vanaf de datum van afbraak van het illegale bouwwerk. Dit maakt dat de strafvordering niet kon verjaren. Dit is grotendeels geschiedenis. De wetswijziging vanaf 1 september 2009 voorzag nieuwe regels.
Enkele begrippen verdienen hierbij (i.c. lezing van het decreet) voorafgaandelijk toelichting: Bij een bouwmisdrijf kan je zowel strafrechtelijk als burgerrechtelijk vervolgd worden.
De strafrachter kan een boete uitspreken maar hij kan ook een herstelmaatregel opleggen, met name herstel in oorspronkelijke toestand. Doorgaans is dit de afbraak, maar kan ook aanpassingswerken zijn of geldsom betalen die gelijk staat met de meerwaarde die bekomen werd op het onroerend goed door het plegen van het misdrijf.
De verjaring van het misdrijf: er kan geen strafvordering en herstelvordering meer ingesteld worden. Dit betekent echter niet dat het illegaal karakter van het bouwwerk opgeheven is en dat het pand vergunbaar is. Dit betekent ook dat de bouwheer daarna geen werken meer kan en mag uitvoeren.
De strafvordering: Bouwmisdrijf verjaart doorgaans na een periode van 5 jaar na het plegen van het laatste feit. Tijdens deze periode van 5 jaren kunnen daden gesteld worden die de termijn stuiten waarna een nieuw periode (eenmalige periode) van 5 jaar begint te lopen. Wanneer de strafvordering tijdig is ingesteld kan geen verjaring van het herstelvordering meer plaatsvinden.
De herstelvordering: Deze kan nooit verjaren voordat de strafvorderring is verjaard. De herstelvordering an sich verjaart als volgt:
- Na 10 jaar voor inbreuken ggepleegd in kwetsbare gebieden
- Na 10 jaar in openruimtegebieden
- Na 5 jaar voor overige gevallen.
Belangrijke nuance hierbij is dat voor bouwmisdrijven in kwetsbare gebieden er een nultollerantie wordt aangehouden: niet alleen het oprichten maar het instand houden van het bouwwerk strafbaar is en blijft. De verjaringstermijn begint aldus pas te lopen nadat of vanaf ogenblik dat de onwettige toestand ongedaan is gemaakt.
Aldus; Art. 6.1.1, derde lid VCRO, bepaalt: “De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden.[...]
Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld”.
De inbreuken, gepleegd buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied, kunnen heden bijgevolg verjaren, aangezien het instandhoudingsmisdrijf buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied niet meer strafbaar wordt gesteld. Inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied blijven echter onverjaarbaar, aangezien de strafsanctie voor het instandhoudingsmisdrijf in ruimtelijk kwetsbaar gebied nog steeds kan worden opgelegd. De regel van art. 26 V.T. Strafvordering dat de burgerlijke vordering niet kan verjaren vóór de strafvordering blijft in dit geval onverkort en verhindert ook de verjaring van de burgerrechtelijke herstelvordering.
De instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied, worden in het nieuwe art. 6.2.2 VCRO uitdrukkelijk gekwalificeerd als stedenbouwkundige inbreuken en dus niet als stedenbouwkundige misdrijven.
Deze kwalificatie als “inbreuk” heeft op voet van art. 6.2.6 VCRO tot gevolg dat de instandhouding in kwetsbaar gebied enkel bestraft kan worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied betreft dan ook geen “misdrijf” dat bestraft kan worden door de strafrechter of met een alternatieve bestuurlijke geldboete.
De instandhouding buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied was eerder niet langer strafbaar op voet van art. 6.1.1 VCRO. In huidige stand wordt de instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied enkel nog gekwalificeerd als een inbreuk.
Daarenboven lijkt de instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied eveneens te kunnen verjaren. Het nieuw art. 6.2.9 VCRO voorziet de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete - waarmee de nieuwe inbreuken van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied zullen worden bestraft - verjaart na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt wel gestuit door daden van onderzoek en vervolging (zoals de opmaak van een proces-verbaal), verricht binnen die termijn.
Verder wordt voorzien in het behoud van de verjaringsregeling voor herstelmaatregelen. Het nieuw art. 6.3.3, §3 VCRO luidt als volgt:
“§3 Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd;
2° in openruimtegebied: na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd;
3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd.
In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van de bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.”
Ook de herstelvordering voor inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied zal bijgevolg kunnen verjaren, na voorafgaandelijke verjaring van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
De verjaring van het bouwmisdrijf is door de wetswjzigingen afhankelijk van de periode dat het bouwmisdrijf is gepleegd.
Voor 27.7.1998: 30 jaar na oprichting en 5 jaar na kennisname van de schade en de indentiteit van de overtreden.
Tussen 27.7.1998 en 31.8.2009: 20 jaar de feiten en 5 jaar de effectieve kennisname van de schade en de identiteit van de overtreder.
Na 31.8.2009: 10 jaar voor misdrijven in ruimtelijk kwetsbaar gebied en openruimtegebied. 5 jaar voor de overige bouwmisdrijven.
Men kan steeds een bouwoverteding laten regulariseren en een aanvraag daartoe indienen. In gunstig geval bekom je dan een regularisatievergunning.