Recht van doorgang is in een typevoorbeeld van een conventionele erfdienstbaarheid, dit is door overeenkomst tussen partijen bekomen. Daarnaast bestaan ook de wettelijke en de natuurlijke erfdienstbaarheden.
Erfdienstbaarheid is aldus zakelijk recht ten laste van een onroerend goed (het lijdend erf) dat gevestigd wordt ten voordele van een ander onroerend goed (het heersend erf) die aan een andere eigenaar toebehoort. Doorgaans is een erfdienstbaarheid inderdaad een eeuwigdurend recht tenzij er contractueel anders overeengekomen zou zijn.
De conventionele erfdienstbaarheid komt dus tot stand middels een overeenkomst (de titel). Deze overeenkomst is enkel bindend voor de partijen. Derden kunnen zich hierop niet beroepen. Het bewijs van de titel kan weliswaar tegenstelbaar gemaakt worden aan derden, mits de overeenkomst is overgeschreven op het hypotheekkantoor. Derden moeten dan het bestaan van deze erfdienstbaarheid erkennen en respecteren.
De rechten en plichten verbonden aan de conventionele erfdienstbaarheden zijn ook in deze vraag vastgelegd in de akte van koop-verkoop. De algemene wettelijke regels, buiten wat in de akte zou zijn vermeld, blijven steeds van kracht: De eigenaar van het heersend erf mag de erfdienstbaarheid enkel uitoefenen binnen de grenzen bepaald door de overeenkomst (titel/akte).
De eigenaar van het heersend erf mag geen wijzigingen aanbrengen die de toestand van het lijdend erf kunnen verzwaren. De eigenaar van het lijdend erf kan bij schending het herstel van de plaats in de vroegere toestand en/of een schadevergoeding vorderen bij de bevoegde Vrederechter van de ligging van het goed. De eigenaar van het lijdend erf moet de erfdienstbaarheid enkel gedogen en is niet gehouden tot enig herstel of onderhoud.
De eigenaar van het lijdend erf mag de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet bemoeilijken of de plaats van de uitoefening wijzigen. De wijziging van de oorspronkelijke plaats van uitoefening van de erfdienstbaarheid kan enkel als het een meer bezwarend karakter krijgt. In dat geval mag de eigenaar van het lijdend erf een andere plaats aanbieden die de last voor het lijdend erf vermindert en toch even gemakkelijk is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid.
De buur kan op voet van deze algemene regels inderdaad de erfdienstbaarheid niet eenzijdig opheffen of wijzigen.