Georges Vande Velde van Depagas geeft uitleg over de norm die hierop betrekking heeft, namelijk norm NBN B 61.002.
Dit staat in de letterlijke tekst:
"De verse buitenlucht die via een opening toegevoerd wordt naar een verblijfsruimte in een gebouw moet voldoende zuiver zijn ter hoogte van de instroomopening. De uitmonding van elk afvoerkanaal dient zo gesitueerd te zijn dat de verdunning van de verbrandingsproducten ter hoogte van elke aanwezige instroomopening voldoende groot is om geen hinder te veroorzaken voor personen die aanwezig zijn in de verblijfsruimten."
Dit wordt bereikt door voor elke specifieke situatie de "verdunningsfactor f " te berekenen. De f factor mag maximaal bij gas 0,01 bedragen. Volgende formule kan uitsluitsel geven wat betreft toelaatbaarheid:
f = Vierkantswortel uit P (nominaal vermogen kW) gedeeld door de som van S1*L en S2* delta H.
L= Lengte van de verbindingslijn (omtrek van de eventuele hindernissen volgend) tussen de uitlaat en de instroomopening.
Delta H= Hoogte verschil tussen de rand van de uitlaat en de rand van de instroomopening. (Is altijd een positief getal)
S1= 110 en S2 = 325 volgens de omschreven situatie.
Voorbeeld gezien het vermogen niet bekend is:
P =25 kW
L = 0.2 m
H = 1.4 m
Resultaat = 5/(110*0.2)+(325*4.1) = 0,01048
Daar de maximale waarde 0,01 is zou in het voorbeeld de uitmonding niet op de toegelaten plaats gebeuren.