Advocaat Sarie De Vrieze geeft volgend uitgebreid antwoord:
“De problematiek van de verjaring van stedenbouwkundige misdrijven is al jaren punt van heel wat discussie. Nadat de decreetgever in 2003 de verjaring van 5 jaar invoerde, ontstond er onduidelijkheid over de draagwijdte van de verjaring van de strafrechtelijke (en de burgerlijke herstel)vordering.”
“Bij arrest van 19 januari 2005 hakte het Grondwettelijk Hof de knoop door op strafrechtelijk vlak. Alle bouwmisdrijven verjaren na verloop van 5 jaar, behalve wanneer zij gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbare gebieden (bos- en natuurgebied). Er is daarnaast echter ook een burgerlijke vordering mogelijk, waarbij de overheid het herstel van de toestand in zijn oorspronkelijke staat (de zogeheten ‘herstelvordering’) kan vorderen en waarbij het dus mogelijk is dat u verplicht wordt het opgerichte bouwwerk af te breken.”
“Gezien er sprake was van een strafrechtelijke verjaring, is de stedenbouwkundige inspectie dan in een aantal gevallen een burgerlijke in plaats van een strafrechtelijke procedure begonnen om alsnog de afbraak te bekomen. In burgerlijke zaken gelden immers andere verjaringstermijnen die, naargelang het geval, liggen tussen 5 en 20 jaar. Om de ontstane onduidelijkheid over de mogelijkheid een herstelvordering in te leiden wanneer de strafrechtelijke vordering al is verjaard, werd in het decreet van 27 maart 2009 bepaald:
“Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf de inwerkingtreding van het Aanpassings- en aanvullingsdecreet niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld.”
Om alle mogelijke achterpoortjes te sluiten wordt met het decreet van 27 maart 2009 de Hoge Raad voor het Herstelbeleid omgevormd tot Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, met ruimere bevoegdheden. Zowel het college van burgemeester en schepenen als de stedenbouwkundig inspecteur mag nu nog slechts overgaan tot het ambtshalve uitvoeren van een herstelmaatregel, nadat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daar zijn toestemming voor gaf.”
“De Stedenbouwkundige Inspectie (die de herstelvorderingen instelt), wenste echter toch nog burgerlijke herstelvorderingen te kunnen inleiden. In een procedure voor het Hof van Beroep te Gent dienaangaande, lieten zij dan ook een aantal prejudiciële vragen stellen aan het Grondwettelijk Hof om de verjaring van de burgerlijke herstelvordering.
“Voor de (zo volledig mogelijke) beantwoording van deze vraag was het dan ook interessant het antwoord van het Grondwettelijk Hof op deze vragen af te wachten. Bij arrest nr. 94/2010 van 29 juli 2010 heeft het Grondwettelijk Hof ontkennend geantwoord op de prejudiciële vragen:
Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat door de verjaring van de herstelmaatregel, die bovendien niet geldt in kwetsbare gebieden, er noch een aanzienlijke achteruitgang wordt teweeggebracht in het beschermingsniveau van het leefmilieu, noch een aanzienlijke achteruitgang die niet zou kunnen worden verantwoord door de daaraan ten grondslag liggende motieven van algemeen belang: "Nu hij het in stand houden van stedenbouwmisdrijven in andere dan ruimtelijk kwetsbare gebieden niet langer strafbaar acht, vermocht de decreetgever in redelijkheid te oordelen dat het in het algemeen belang verantwoord was om ook te vermijden dat hangende publieke herstelvorderingen nog zouden worden ingewilligd met ingang van 1 september 2009."
Er kan dus besloten worden dat er noch strafrechtelijke vorderingen, noch burgerlijke herstelvorderingen mogelijk zijn na het verstrijken van de verjaringstermijn van 5 jaar.”
“Artikel 6.1.41 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: “§ 5. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen verjaart in afwijking van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek als volgt:
1° in ruimtelijk kwetsbare gebieden: (...)
2° in openruimtegebied: door verloop van tien jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf, vermeld in artikel 6.1.1, gepleegd werd;
3° door verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf, vermeld in artikel 6.1.1, gepleegd werd: in de gebieden die niet sorteren onder 1° en 2°.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen volgend uit een misdrijf, en aan de gelding van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt onder “openruimtegebied” verstaan:
1° de landelijke en recreatiegebieden, aangewezen op plannen van aanleg, voor zover zij geen ruimtelijk kwetsbaar gebied uitmaken;
2° de gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, die sorteren onder:
a) de categorie van gebiedsaanduiding “landbouw” of “recreatie”, of
b)de subcategorie “gemengd openruimtegebied”, in zoverre het gebied geen onderdeel is van het Vlaams Ecologisch Netwerk.”
In zoverre uw eigendom niet in een ‘openruimtegebied’ ligt, is de verjaringstermijn dus 5 jaar. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Eens de verjaring is ingetreden, kan deze niet meer ongedaan worden gemaakt en is deze dus definitief. Dit echter enkel wat betreft de publieke herstelvordering, en niet de private vordering van bvb. uw buurman.
Concreet betekent dit dat het bouwmisdrijf m.i. verjaard is. Ik stel mij echter wel ten zeerste de vraag of u een vergunning zal worden toegestaan om werken uit te voeren aan een gebouw dat in overtreding staat, ook al is deze overtreding verjaard. U zou zich hier best voorafgaandelijk over bevragen bij uw gemeente, om het standpunt te vernemen.”
“Voorzichtigheid is in elk geval geboden, gezien het verleden heeft uitgewezen dat de Stedenbouwkundige Inspectie niet tevreden is met de nieuwe verjaringstermijn op de herstelvorderingen, en het niet ondenkbaar is dat men zal zoeken naar ‘achterpoortjes’ om hieraan te ontkomen”, besluit De Vrieze.